De stoomtram in Steensel. 

De aanleg

Hoewel de tram maar veertig jaar heeft rondgereden, staat deze nog altijd bekend als de brenger van de welvaart in de Kempen. Er zijn nauwelijks nog fysieke restanten van de tramlijn zichtbaar. Alleen oude namen (zoals restaurant d’Ouwe Tramhalte in Duizel of de Tramstraat in Eindhoven) herinneren ons nog aan deze tijd. Recent is in Steensel op de hoek van de Eindhovenseweg met de Joseph Schulteweg bij graafwerkzaamheden nog een gedeelte van de wissel van het spoor teruggevonden. Andere fysieke overblijfselen van de stoomtram zijn allemaal verdwenen.

De plannen
De uiteindelijke totstandkoming van de tramlijn, die loopt van Eindhoven naar Reusel tot aan de grens met België, heeft een lange en moeizame voorgeschiedenis gekend. In Nederland is de eerste trein in 1839 gaan rijden tussen Haarlem en Amsterdam. In Noord-Brabant komt de eerste treinverbinding tot stand in 1854 tussen Antwerpen en Roosendaal. Eindhoven wordt pas in 1866 aangesloten op het nationale spoorwegennet.
Tegelijk met de aanleg van dit landelijke spoorwegennet ontstaan ook de eerste plannen om een netwerk op te gaan zetten van lokale verbindingen. Door middel van tramlijnen, ook wel buurtspoorwegen genoemd, kan ook het gehele platteland ontsloten worden. De wet van 9 augustus 1878 maakt het mogelijk om met deze lijnen te beginnen.
De wet maakt het vervolgens mogelijk dat particulieren een concessie kunnen aanvragen om de tramlijn te ontwikkelen. De eerste poging om een tramverbinding aan te leggen tussen Eindhoven en Reusel dateert uit 1880. Financiële problemen zorgen er uiteindelijk voor dat de lijn nog niet aangelegd kan worden en de concessie wordt weer ingetrokken.
De Provinciale Staten en ook het Rijk zien de voordelen van een tramverbinding in en besluiten om subsidie te verlenen. Ondanks deze subsidie slaagt geen van de opgerichte werkmaatschappijen erin om te starten met de aanleg. Vooral vanuit Eindhoven wordt de druk opgevoerd om te starten. Twee initiatiefnemers gaan zich ermee bemoeien: de burgemeester van Eindhoven de heer J. Smits van Oijen en het lid van de Provinciale Staten de heer J. Pompen uit Sterksel.
Een tweede stimulans komt van de andere kant van de grens, waar de Belgen al voortvarend aan de slag zijn gegaan om een verbinding naar de grens aan te leggen. Daar wordt op 1 mei 1893 al het traject van Turnhout naar Arendonk geopend. Ruim een jaar later, op 1 juli 1894, is het ontbrekende deel tot aan de grens bij Reusel ook al gerealiseerd.
De Nederlanders kunnen nu niet meer achterblijven en richten in 1893 samen met enkele Belgische deskundigen de ‘NV Nationale Maatschappij van Nederlandsche Buurtspoorwegen’ in Eindhoven op. De kosten voor de tramverbinding die vanuit Eindhoven ook nog door zal lopen naar Veghel bedragen ongeveer een miljoen gulden. Voor die tijd een gigantisch bedrag.
De grote invloed van de Belgen zorgt er helaas voor dat de plannen van de maatschappij niet goed van de grond komen. Nadat de Zuiderburen zich terugtrekken uit de organisatie wordt op 7 januari 1896 de Nationale Maatschappij weer ontbonden en wordt ‘Tramweg-Maatschappij De Meijerij’ opgericht. De twee oprichters Pompen en Smits van Oijen worden beiden commissaris binnen de nieuwe maatschappij.



De aanleg
In 1896 wordt dan eindelijk begonnen met de aanleg van de tramlijn. Het tramstation van waaruit de trams zullen worden geëxploiteerd wordt gebouwd op het terrein aan de straat die uiteindelijk de Tramstraat zal gaan heten. Deze naam heeft de straat overigens nog steeds.
Op 26 oktober 1896 begint men in Veghel met de aanleg van de lijn. Door gebruik te maken van bestaande wegen, hoeft er geen tijd gespendeerd te worden aan tijdrovende onteigeningen. Hierdoor kan ook weer bespaard worden op de kosten van de aanleg
Ook in de Kempen wordt op deze wijze de tramlijn aangelegd. In 1854 is de provinciale weg van Eindhoven naar Reusel van een grindlaag voorzien en is daarmee de eerste verharde weg van de streek. Wanneer de tram niet harder dan 15 kilometer per uur gaat rijden, dan mag deze gebruikmaken van de berm van de openbare weg. Het traject is daarmee meteen bepaald.
In Nederland wordt gebruikgemaakt van het zogenaamde ‘Hollands spoor’ met een breedte van 1067 millimeter. In België is deze spoorbreedte ook lang gehanteerd, maar vanaf 1919 is daar het spoor versmald. Daardoor is er in Reusel een remise overslagstation gekomen, zodat vanaf Reusel de weg toch vervolgd kan worden richting Turnhout.
Het traject Reusel – Eindhoven is uiteindelijk eerder gereed dan het traject naar Veghel. In mei 1897 zijn de eerste proefritten gehouden. Op 30 juni 1897 wordt het traject feestelijk geopend. Alle notabelen zijn hiervoor uitgenodigd. Natuurlijk zijn de Commissaris van de Koningin Mr. Baron van Voorst tot Voorst, de burgemeester van Eindhoven de heer Smits van Oijen en lid van de Provinciale Staten de heer Pompen hierbij prominent aanwezig.




De opening


De opening van de trambaan is een happening zelden gezien in deze streek. Het officiële startsein wordt gegeven bij het tramstation in Eindhoven door burgemeester Smits van Oijen. Hij houdt een feestelijke toespraak waarbij hij erop wijst dat door de tramverbinding het Nederlandse en Belgische volk zich verder zullen gaan verbroederen. Ook noemt hij het economische belang van de tram voor de streek. Streekproducten zoals sigaren, manden en geweven textiel kunnen vervoerd worden naar de stad Eindhoven. Tevens wordt het makkelijker voor arbeiders om in Eindhoven bij de pas opgerichte Philips fabrieken te gaan werken. Ook biedt het mogelijkheden om zaken als kunstmest naar de streek te vervoeren.
Na de feestelijke toespraak stappen allen in de gereedstaande tram voor een feestelijke rit over het nieuwe traject. In elk dorp wordt er gestopt voor een korte plechtigheid. Een journalist van de Meierijsche Courant doet verslag van deze tramrit. Over de doorkomst in Steensel schrijft hij het volgende:
“Met B. en W. van de gemeente, in ons midden opgenomen, togen we weldra de Steenselsche heide in, de haast eindeloze vlakte, die langs alle zijden den gezichteinder vrij laat. Wanneer eenmaal deze woeste gronden, langzamerhand ontgind worden, dank zij de aangevoerde meststoffen, waartoe de tram eene gewenschte gelegenheid bied, dan nog eens zullen onze kleinzonen en naneven hulde brengen en dank aan de wakkere mannen, die dit versneld communicatiemiddel tot het welzijn van velen in ’t leven riepen en allen tevens die het mede tot stand brachten. Dan ook zal langzamerhand het sprookje van den aardworm in ’t vergeetboek geraken, die hier aan den ketting moest gelegd worden, daar hij in den mageren grond niet leven kon.
Weldra hadden wij het in feesttooi gestoken dorpje bereikt en stapten even uit bij Van Hout in de Ster, waar de heer Burgemeester van Duizel en Steensel (Antonius Verhoeven) zijne opwachting maakte. ’t Is ons eene groote eer, zegde Z. Ed.Achtb. hier Z. Exc. Den Commissaris der Koningin (Baron Van Voorst tot Voorst) te begroeten, wiens belangstelling in deze tramlijn zooveel goed heeft gesticht, een versnelden weg, die van het allergrootste nut zal blijken voor deze streek. Spreker zal niet in bijzonderheden treden, daartoe ontbreekt de tijd, doch kan toch niet nalaten een woord van hulde en dank te brengen aan allen, die iets tot deze lijn bijbrachten, aan de heeren Pompen en Smits van Oijen de concessionarissen, die deze zoover wisten te brengen. Moe zij heil en welvaart baren en voorspoed voor deze streek.
De Commissaris steeds gereed onze burgemeester met een belangstellend woordje te beantwoorden wees er op dat zijne belangstelling steeds even groot is in het goede, voor ’t klein zoowel als voor ’t groot. In de maatschappij zijn allerlei belangen te behartigen voor kleinen en ook voor grooten en al deze belangen liggen hem nauw aan het hart. Spreker feliciteert Steensel met zijnen tramlijn en hoopt, terwijl hij zich aansluit bij den wensch van den burgemeester, dat deze den bloei der gemeente zeer zal bevorderen.
Onder algemeen gejuich stapten wij weder in, na even de hand gedrukt te hebben van het hoofd der school, den heer Cox, die zo wij ons niet vergissen, de eerste was om een zeer aardig lied te zingen op onze tramlijn.”
Waarschijnlijk is dit het lied: ‘Aan den toren van Steensel’ geweest dat meester Cox in 1880 heeft geschreven. Dit is echter niet meer met zekerheid vast te stellen. Naar aanleiding van de openstelling van de tramlijn schrijft notaris Van Baar in Bladel een gedicht, dat goed weergeeft wat de tram voor de Kempen heeft betekend. Dit is het eerste couplet;  Stoomtram in Steensel vooral gebruikt voor vervoer Stinsels zand (foto naast gedicht plaatsen)
“Aan ’t schoone Kempenland.
Waar energie en trouwe.
In ’t hart van vele wonen.
En waar de sterke hand.
Van wakk’re Boerenzonen.
Van Onze Kempengouwe.
Met ijver ploegt het land.
Aan ‘schoone Kempenland, zoo vol tint’lend leven.
Is dank zijn vlijt, de lang gewenschte tram gegeven.


Het vervoer
De bevolking in de dorpen moet nog erg wennen aan het nieuwe vervoersmiddel. Het zien van de tram is voor velen de eerste ontmoeting met de moderne tijd. In het boek ‘De Drie Zaligheden’ wordt nog een citaat van Marie Willekens gepubliceerd over de tram: “We vonden het de dag van ons leven als we mee mochten naar Eindhoven. We kwamen anders nooit ergens. Je kon de tram al van ver horen aankomen. Hij gaf signalen af als hij het dorp binnenkwam. We zaten op de houten banken, maar je kon ook op de balkonnetjes gaan staan. Onze ouders zagen dat niet graag; ze vonden dat veel te gevaarlijk wegens de hoge snelheid. Als de wind ongunstig stond dan sloeg de rook in de wagens. Maar anders was de rit altijd een geweldige belevenis
De tram bestaat meestal maar uit een locomotief die twee rijtuigen voor personenvervoer en één goederenwagon trekt. Tijdens de ochtend- en middagrit wordt er ook een postrijtuig aan gekoppeld. Dit is een soort van rijdend postkantoor waar de post wordt gesorteerd en gestempeld. Twee van de locomotieven worden genoemd naar de oprichters van de trammaatschappij: J.F. Pompen en J.T.M. Smits van Oijen.
In het begin zijn het vooral de arbeiders in de opkomende industrie van Eindhoven die gebruikmaken van de tram. Later volgen ook studenten die gaan studeren aan de kweekschool om onderwijzer te worden. Gewoon wordt het vervoer per tram niet, daarvoor blijft die te duur voor de ‘gewone man’. In 1934 kost een kaartje van Steensel naar Eindhoven 60 cent voor de tweede klasse en 75 cent voor de eerste klasse. Een gemiddeld gezin in deze tijd verdient tussen de 20 en 25 gulden per week. De tocht duurt meer dan een uur. De tram vertrekt om 7.03 uur in Steensel komt om 8.11 uur bij de remise in Eindhoven aan.
Steensel kent eigenlijk drie stopplaatsen voor de tram. Er is de tramhalte bij café De Ster aan de Eindhovenseweg. Richting Bussereind stopt de tram ook bij het pakhuis (Eindhovenseweg 67, momenteel autozaak). Hier wordt ook vaak een wagon achtergelaten om te vullen met Stinsels zand. De derde halte ligt bij steenfabriek “De Heibloem” gelegen tegenover de Sprankel in Veldhoven. De halte ligt nog net op Steensels grondgebied.
Ondanks dat er niet hard gereden mag worden met de tram, gebeuren er toch veel ongelukken. In het eerste half jaar overlijdt al een conducteur die ’s avonds tussen de wagons een misstap maakt en onder de tram terechtkomt. Vaak wordt de maximumsnelheid overschreden waardoor de wagons uit de rails lopen. De locomotieven zijn degelijk gemaakt, maar de wagons zijn eigenlijk niet bestemd voor snelheden boven de 15 km per uur. Het komt ook regelmatig voor dat de tram een brand veroorzaakt. In de zomer betreft dit regelmatig een bermbrand die ontstaat doordat er een gloeiend kooltje in het gortdroge gras terechtkomt. Inwoners die dichtbij het spoor wonen gaan in de droge periodes pas naar bed wanneer de laatste tram is gepasseerd. Veel van de boerderijen zijn bedekt met stro en kunnen snel vlam vatten.
Driek Wintermans uit Duizel heeft nog een mooie anekdote genoteerd over veldwachter Smets van de gemeente Duizel-Steensel, die zondagsavonds met de tram terug wil naar Duizel. Hij vermoedt echter dat er in Steensel iets broeit onder jongelui. Deze wachten tot de laatste tram met de veldwachter is vertrokken. Net buiten het dorp laat de veldwachter echter de tram even stoppen, zodat hij uit kan stappen om te voet terug te keren naar Steensel. Daar betrapt hij de oproerkraaiers op heterdaad. Hoe hij later thuis is gekomen verhaalt de anekdote niet meer.
Het einde
Wanneer in 1897 de eerste tram gaat rijden, staat de automobielindustrie nog in de kinderschoenen. De auto ontwikkelt zich razendsnel tot een licht, wendbaar en sneller alternatief. Wanneer in de jaren twintig ook de autobus verschijnt op de Nederlandse wegen, komt er nog een geduchte concurrent voor het personenvervoer bij. Het transport van goederen gebeurt dan al met de eerste vrachtwagens. Dit betekent de doodsteek van het railvervoer. De trammaatschappij ‘De Meijerij’ heeft wel het monopolie op het railvervoer, maar niet op het wegvervoer.
Op 25 maart 1929 begint ATO met de exploitatie van een busverbinding tussen Eindhoven en Reusel. In mei van dat jaar neemt ‘De Meijerij’ deze exploitatie al over en gaat dus concurreren met haar eigen trams. De bussen blijken veel economischer dan de tram. Het aantal tramritten krimpt als gevolg daarvan steeds verder in. Op 1 juli 1934 fuseren de zes bus- en trammaatschappijen die in Brabant actief zijn tot de Brabantsche Buurtspoorwegen en Autodiensten (BBA).
Deze nieuwe maatschappij zet rigoureus het mes in de kosten en de stoomtramverbindingen worden opgeheven. Op 15 mei 1935 wordt het personenvervoer gestaakt en op 10 januari 1937 ook het vrachtvervoer. Na veertig jaar komt er een eind aan een tijdperk. De tram wordt zelf ingezet om de rails op te ruimen. De schrootprijzen in 1937 zijn erg hoog vanwege de bewapening van de grote mogendheden. De naderende Tweede Wereldoorlog zorgt ervoor dat er van de tram vrijwel niets meer is terug te vinden. Het meeste materiaal wordt omgesmolten tot wapentuig. De brenger van voorspoed in onze streek gaat hier en elders veel rampspoed brengen.
Gelukkig is er in Steensel nog wel een stukje van de tramrails teruggevonden. Bij de aanleg van de tuin van Toon en Hanneke Stravens is een stukje van de wissel teruggevonden onder de toegangspoort. Dit deel van een wissel is te zien in de Luciatoren.

STEENSEL. Uit de statistieke opgave van het Tramstation alhier, blijkt dat in het afgeloopen dienstjaar 1917, 871 wagon-ladingen en 873 stukgoederen van hier zijn verzonden, terwijl 202 wagon-ladingen en 1135 stukgoederen werden gelost. Deze cijfers zijn wel groot te noemen, men zegt dan ook dat Steensel het drukste Tramstation heeft langs de lijn Eindhoven Belgische grens.
Eindhovens Dagblad, 31 januari 1918


.