De Luciaklok van Steensel werd in 1495 gegoten door Wouter Kaeiwas, een klokkengieter uit Hoogeloon. Op de klok staat het opschrift: Lucia is mijnen naem, mijn geluyt is gode bequaem, so verre als men mij horen zal, wilt got bewaren overal.

Ook vinden we op de klok de namen van de kerkmeesters die de gietopdracht gaven en een pelgrimsteken van Sint Lucia. Het pelgrimsinsigne vormde voor de pelgrim zowel een souvenir als een bewijs van zijn pelgrimage. Vooral in Denemarken en Duitsland werd het ook op klokken aangebracht. In Nederland is dit tamelijk zeldzaam. Het pelgrimsteken van Sint Lucia treffen we alleen aan op de klok in Steensel.

De klokkengieter, Wouter Kaeiwas, was afkomstig van Hoogeloon en werd in 1476 als poorter van Mechelen (België) ingeschreven. Na 1508 moet hij gestorven zijn. Slechts enkele klokken uit de periode 1478-1495 zijn van hem bekend. In Noord-Brabant is hij vertegenwoordigd met drie klokken uit 1478 en de klok uit Steensel uit 1495.

Klokken van dit formaat werden altijd ter plekke gegoten. Het gewicht van de Luciaklok (ca. 1.600 kg) was te zwaar om te verplaatsen. Onder leiding van de klokkengieter werd een kuil gegraven waarin mal van de klok werd gemetseld dat uiteindelijk met leem of klei perfect in model werd gebracht. Zo werd ook de buitenmantel gemaakt. Voor het gieten werd er een smeltoven gebouwd die zich boven de mal bevond. Eenmaal op temperatuur werd het vloeibare brons in één keer gegoten. Het kon enkele dagen duren voordat de mal afgebroken kon worden en het resultaat beoordeeld.


Tijdens de Tweede Wereldoorlog roofde de Duitse bezetter meer dan de helft van de 9.000 klokken in Nederlandse kerktorens. Ze werden omgesmolten voor de wapenindustrie. Ook in de Kempen ondergingen tientallen kerkklokken dit lot. De Steenselse Luciaklok bleef behouden. Die werd gemarkeerd met de letter ‘M’ waarmee werd aangegeven dat het monumentaal erfgoed betrof en daarom gespaard mocht blijven.